Een onderhoudende oorlogssatire

KVS/Steigeisen: ‘Memento Park’ – Theater – 30CC/Schouwburg, 27.02.2015, 20u

Over deze voorstelling had ik het liefst heel kort geweest: het was van in het begin, met het weerklinken van de eerste noten uit de boxen aan weerszijden van het statige podium in de Schouwburg van het 30CC duidelijk, dat dit een meer dan onderhoudende voorstelling zou worden. Werkelijk alles straalde nauwgezet professionalisme uit; van de kostuums tot de mise-en-scène, van de muziekkeuze tot de perfect getimede subtiele grappen: deze voorstelling had inhoudelijk niet bijster veel om het lijf, maar was vormelijk een bewonderenswaardig staaltje van hedendaags theater.

Het thema van deze voorstelling was nochtans verre van vanzelfsprekend. Voor deze samenwerking tussen KVS en Steigeisen stond ‘het toerisme rond de herdenking van de Eerste Wereldoorlog’ op het programma, een vreemd thema zou men op het eerste gezicht denken, maar het was een thema waar in dit stuk op een zeer originele manier werd omgesprongen. Men maakte sprongen in de tijd, bracht verschillende personages ten tonele (van de West-Vlaamse klaprozenzaaier over de minister van Binnenlandse zaken tot zelfs IS-strijders) en ensceneerde dit alles als een zeer mooi vormgegeven verkooppraatje op zich.

Bij tijd en wijlen wogen de ellenlange logistieke dialogen wat zwaar of zakte het stuk een beetje weg door een gebrek aan ritme, maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door de heerlijke satirische saus (af en toe leek een knipoog naar ‘In de gloria’ niet ver weg) die over het geheel werd gegoten. De combinatie met de strakke vormgeving en het sublieme decor kon van deze voorstelling alsnog geen topper van formaat maken, maar tilde het geheel wel naar een niveau dat zich comfortabel op ‘onderhoudend’ stationeerde, wat voor een vrijdagavond misschien best nog wel perfect is.

TIP// Asobi: een meesterwerk waarin het lichaam verklanking vindt

Les Ballets C de la B, De Bijloke & SPECTRA – ‘Asobi’ – Dans – 26.02.2015, 20u30, Stuk

Het is donderdagavond, en de Soetezaal in het Stuk is tot de nok gevuld voor deze nieuwe dansvoorstelling van het Gentse Les Ballets C de la B, dat ons ‘Asobi’ – Japans voor ‘spel voor volwassenen’ – zal brengen. Dat voor dit spel enkel volwassenen in de arena waren toegelaten, zou men enigszins kunnen wijten aan het vele naakt dat op het podium te zien was, maar anderszins vooral kunnen interpreteren als een verwijzing naar het verlies van de kinderlijke onschuld. Vanaf de hypnotiserende openingsscène tot de zinderende slotact waren we immers geen getuige van een onschuldig spel, maar van een priemend gevecht van overgave, intimiteit en pure schoonheid.

Bij de eerste blik op het podium, zou de cultuurminnende habitué misschien een initiële zucht geslaakt hebben: “allé, weeral een spiegel, hoe origineel. Het zal weer zo’n diepzinnige verwijzing zijn naar het kijken en bekeken worden.” Akkoord, het idee van het publiek te confronteren met de eigen blik is inderdaad niet nieuw. Maar deze voorstelling tilde dit concept naar een heel ander niveau; niet alleen zorgde deze enorme spiegel (die de hele lengte van het podium besloeg), voor een ambigu en confronterend spel tussen het kijken en bekeken worden, maar maakte hij de afstand tussen zelf en spiegelbeeld door het voor- en achteruit schuiven over het podium werkelijk tastbaar, zodat het leek alsof reflectie een ruimtelijke dimensie kreeg. Afhankelijk van het subtiele spel van de van het plafond naar beneden hangende gloeilampen, toonde deze spiegel door zijn oneffen oppervlak van vlekken en bulten ons nu eens een vervormde reflectie van het publiek, dan weer een getroebleerd spiegelbeeld van de dansers. Dit zorgde voor een voortdurend wisselen van rollen en perspectieven, dat in de magistrale openingsscène al meteen een hoogtepunt bereikte door van de spiegel zelf een toeschouwer te maken die als enige de naakte kant van de letterlijk voor de helft uitgeklede dansers mocht ‘bekijken’. Dat hij deze geprivilegieerde blik ook meteen aan het hele publiek moest prijsgeven, maakte de intimiteit en tegelijk het voyeurisme pijnlijk tastbaar.

En zo zat deze voorstelling vol met subtiele symboliek en furieuze eerlijkheid, die van elke beweging van de vier dansers spatte. Hun hele lichaam ademde spanning, kwetsbaarheid en verlangen, en elke beweging gold als een statement van deze broze mix van emoties. Alsof een dergelijke visuele betovering nog niet volstond, werden de dansers begeleid door een zeskoppig orkest, dat er met perfect gekozen muziek in slaagde de bewegingen van de dansers verklanking te geven. Het geheel resulteerde in een wonderlijk symbiose waarin de dansers de muziek belichaamden en de muziek hun bewegingen in klank vertaalde. Een symbiose waarin lichaam en klank één waren. Dit thema van eenheid en versmelting sluimerde nu eens als een ingetogen en dan weer woeste hunkering door de hele voorstelling, om in de slotact te culmineren in een nooit gezien schouwspel van pure, naakte, kwetsbare schoonheid.

‘Asobi’ berooft je van al je onschuld en laat je verbouwereerd achter. ‘Asobi’ is adembenemend, een must, een topper, een waar kunstwerk.

Als er één dansvoorstelling is die u in 2015 gaat zien, laat het dan deze zijn. U zult dan wel op 24 april in Zwitserland of op 7 mei in München moeten zijn… Succes! http://www.lesballetscdela.be/#/nl/projects/productions/asobi/playlist/

De wulpse klaagzang van ‘Sirene’

Toneelhuis/Bart Meuleman: ‘Sirene’ – Theater – 22.01.2015, 20u30, Stuk

Wat een mens precies moest denken bij het buitenkomen na deze voorstelling, was op het eerste gezicht nogal moeilijk uit te maken. Het stuk ging moeizaam vooruit, er gebeurde niet veel en dat hoofdpersonage was toch maar ‘een rare’. Maar wie deze bevreemdende monoloog een kans geeft om even te bezinken, realiseert zich getuige geweest te zijn van een sober maar klassevol staaltje muziek- en teksttheater. Met oren vol was weerstaat u allicht wel aan de lokroep van ‘Sirene’, maar eens u uw weerstand heeft laten varen, is het een plezier haar wulpse klaagzang te aanhoren.

De kracht van deze voorstelling was ongetwijfeld haar eenvoud. In een donker hoekje op de scène zit percussionist Mattijs Vanderleen haast geniepig geluiden te maken; ritselende blaadjes, voetstappen, donderslagen… terwijl Fien Maris op enkele goud-reflecterende platen haar podium vindt en het publiek een goed uur in de ban weet te houden. De hele scène ademde een sfeer van zwoele, duistere geheimen; alsof het publiek de vierde wand was van een onwerkelijke kamer in een onwerkelijke wereld. Het is duidelijk dat Mark Van Denesse, verantwoordelijk voor licht- en decorontwerp, goed begreep wat regisseur Bart Meuleman met deze monoloog trachtte te verbeelden: vervreemding, fantasie, eenzaamheid en een soort erotische tristesse. Hoe kan het ook anders, als het naamloze hoofdpersonage een atypische prostituee is die ons haar verhaal over een (imaginaire?) ontmoeting met een naamloze klant in horten en stoten meedeelt, afgewisseld met eindeloze stiltes, bevreemdende geluiden en huilende gezangen?

Een woordje moet nog gezegd over Fien Maris, Sirene van dienst. Haar acteerprestatie hield het midden tussen steengoed en barslecht, wat een onmogelijke combinatie lijkt maar in het geval van ‘Sirene’ klaarblijkelijk mogelijk is. Het personage dat ze neerzette, was dat van een getroebleerde, eenzame, vertwijfelde en in eigen gedachten verdwaalde hoer; geen evidente rol, en dat leek zich te uiten in het bij wijlen overtuigende maar andere keren geforceerde acteerwerk van Maris. Met bravure wist ze verleidelijk en ingetogen tegelijk met de plooien in haar strategisch uitgesneden kleed te spelen, maar al te vaak leken haar bewegingen een ingestudeerde choreografie, of werd Meulenmans (toch wel sublieme) tekst al te houterig of onnatuurlijk voorgedragen. Dit alles maakte het personage nog onwerkelijker en onbevattelijker, wat wie weet Meulemans bedoeling was, maar toch vooral zorgde voor een soort onbestemde irritatie.

“Redden of gered worden, daartussen is toch bijna geen verschil?” zegt onze Sirene naar het einde van het stuk toe. De redder en de hulpeloze redden elkaar, de een door een held voor de ander te zijn, de ander door die rol aan hem te schenken. Maris zegt het twijfelend, vragend bijna, en de daarop volgende stilte geeft ons ruimte om de woorden ook werkelijk betekenis te geven. ‘Sirene’ staat bol van dergelijke poëtische pareltjes, en haar langgerekte klaagzang geeft je alle tijd er behoedzaam kopje onder in te gaan.

Verwrongen Liefdesdans

Jan Decorte/Bloet: ‘Much Dance’ – Dans/Theater – 16.12.2014, 20u30, Stuk

In deze zinderende mix tussen theater en dans staat Jan Decorte samen met drie andere acteurs op het podium om het publiek te confronteren met de liefde in al haar contrasterende gedaantes: eerlijk, wrang, onschuldig, lelijk, intiem, afstotend, pijnlijk. Maar altijd, altijd héél dicht op de huid.

Aan de hand van zeven liefdesgedichten, die allen aanvangen met een haast pathetisch maar nimmer vervelend “Oh love” – geschreven door Decorte zelf en gebracht door de acteur Risto Kübar – loodst Decorte ons langs evenveel woordenloze scènes, die elk een aspect van de liefde belichamen. De gedichten gaven daarbij de toon aan; een ineengedoken en uitgemergelde Kübar stamelt verlegen woorden als ‘blood’, ‘death’, ‘blackness’ en ‘solitude’. De sfeer die daarmee werd opgeroepen was overwegend duister, zonder echter dreigend te zijn. Wat Decorte op scène bracht was een verwrongen liefde, een liefde waar de acteurs met hun lijf geen blijf mee wisten, een liefde die hen verteert, die hen perverteert, die hen van zichzelf doet vervreemden. Deze donkere toon werd echter fel gecontrasteerd met de nauwgezet gekozen belichting: elke scène veranderde van sfeer door de wisselende lichtstanden, maar steeds was dat licht fel, steeds werden de acteurs, hun lichamen en hun soms pijnlijke, lugubere of onschuldige liefdesdansen zonder franje tentoon gespreid, dat de stilte van de liefde zo vervaarlijk dichtbij kwam dat je ze bijna door het publiek hoorde gonzen.

De scènes ademden een overweldigende eenvoud uit, waarbij de kijker ondanks de duidelijk suggestieve taal toch voldoende ruimte kreeg voor de eigen verbeelding en interpretatie. De lichamen van de acteurs bewogen zich heel formeel over het kale podium, dat overigens van drie bolle spiegels voorzien was die verschillende hoeken – maar vooral blinde hoeken – aan het publiek lieten zien. Deze spiegels gaven het merkwaardige, kale decor nog een extra dimensie mee; die van de gereflecteerde, van de naakte en eerlijke liefde, die zich nergens kon verstoppen, behalve op die paar zorgvuldig uitgekozen plekjes op het podium waar de spiegels geen vat op hadden. Op die manier kon je als de kijker de vaak bevreemdende scènes vanuit een nog bevreemdender standpunt gadeslaan, wat een merkwaardig spel tussen afstand en nabijheid creëerde.

Deze voorstelling is bedrieglijk in haar eenvoud, maar zo krachtig in haar puurheid. Bijna zonder woorden weet Decorte de contrasten van de liefde te vatten; al was het maar door een uitgemergelde Kübar naast een in het zweet badende, corpulente Benny Claessens te zetten, of de dood naast de geboorte. Uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde: die versmelting, die éénwording, dat opgaan in de ander. Decortes voorstelling geldt als een ontwapenende verbeelding van deze oerinstincten, en lijkt tegelijk een onverbloemde waarschuwing in te houden: ‘pas op, de liefde kan met u doen wat ze wilt.’

Sublieme vriendschapsvete om de goede smaak

Tg STAN & Dood Paard: ‘Kunst’ – Theater – 11.12.2014, 20u30, Stuk

Voor deze voorstelling baseerden Tg STAN en Dood Paard zich op een komedie van Yasmina Reza die twintig jaar terug werd geschreven, maar het onderwerp was even actueel als tijdloos: wat is kunst? Daarbij drijft de discussie rond deze vraag drie vrienden zo ver dat ze bereid zijn hun vriendschap op het spel te zetten voor hun standaard van de goede smaak.

De gustibus et coloribus non disputandum est. Dat er over smaken en kleuren niet te twisten valt, dat wisten ze bij de Romeinen al. Als er één adagium is dat deze voorstelling met verve belichaamt, dan is het dit wel. Drie vrienden zien hun vriendschap danig op de proef gesteld wanneer één van hen een peperduur – zestigduizend ballen – schilderij koopt, dat voor het overige volledig wit is. Hoewel, zelfs over de kleur lijken ze het niet eens te kunnen worden: voor de één – Frank, de sceptische brompot – is het een bespottelijk wit vlak, voor de ander – Serge, de kunstminnende en open-minded zelfverklaarde ‘man van zijn tijd’ – een subtiel spel van witte kleurschakeringen. De openingsscène raakt meteen de kern van de zaak: het grote witte doek staat als een muur tussen de twee vrienden in; Frank – vertolkt door de chronisch cynisch lachende Frank Vercruyssen – haalt misprijzend zijn neus op voor de nieuwe aankoop van Serge, een zichtbaar genietende Kuno Bakker, die zijn witte doek in een haast pathetische aanbidding enkel met handschoenen en een bijpassende rituele dans wil aanraken. Is Serge inderdaad een zelfingenomen snob om zoveel geld neer te tellen voor een wit vlak? Of vibreert dat witte vlak misschien toch in zijn bedrieglijke eenvoud?
De kijker wordt bijna letterlijk gedwongen partij te kiezen, aangezien de vierde wand in deze voorstelling nagenoeg onbestaand was. Het publiek werd voortdurend aangesproken, onze mening werd gevraagd – ‘mevrouw, is dit rommel?’ – en de vrienden probeerden het publiek voortdurend aan hun kant te scharen, niet alleen door elkaar belachelijk te maken, maar ook door toespelingen te maken op elkaars acteerprestaties. Op die manier vervaagde ook de grens tussen acteur en personage, tussen theater en realiteit. Hierdoor ademde het stuk een overweldigende naturel uit, met discussies en ruzies die zo levensecht gespeeld werden dat je op de duur inderdaad het gevoel kreeg niet meer naar acteurs zat te kijken. Een glansrol was daarbij weggelegd voor Gillis Biesheuvel, die met zoveel overtuiging een briesende neuroot neerzette, dat het publiek tijdens zijn onbedaarlijke tirades over de grootste onbenulligheden en met elk van zijn uitspattingen – ‘jullie zijn helemaal gestoord!’ – in een deuk lag.
Ontzetting, teleurstelling, woede, irritatie: het witte doek drijft de drie vrienden tot het uiterste, zover zelfs dat ze elkaar bijna de kop inslaan. Hoewel het witte doek – symbool voor de abstractie van heel wat hedendaagse kunst – de centrale plaats inneemt in deze voorstelling, was het in realiteit niet de kunst, maar de vriendschap van deze drie heren die de hoofdrol speelde. Kunst als scalpel om een vriendschap te dissecteren. Kunst als platform om de machtsrelaties, verborgen verwijten en vervreemding tussen de drie vrienden bloot te leggen. Dat van dat platform mag u gerust letterlijk nemen: de scènes speelden zich af binnen het kader van een omgekeerd schilderij, waarop de acteurs hun tirades ten berde brachten. Dat er uiteindelijk niet erg diep wordt ingegaan op deze filosofische vraag die ook David Hume zich in zijn Standaard voor de goede smaak zich al stelde, mag misschien jammer heten, maar feit is dat deze voorstelling op sublieme, hilarische en eerlijk pijnlijke wijze niet alleen het nut van discussies rond kunst in vraag stelt, maar ook de beproevingen van een vriendschap tentoon spreidt.