Verteerd door verdriet, terend op vechtlust: Cleo in Cinema ZED

‘Doorspelen… forte, forte!’ Cleo neemt de woorden van haar pianoleraar ter harte en beslaat met nieuwe begeestering de toetsen van het instrument dat haar het nauwst aan het hart ligt: de piano. Met een doorzettingsvermogen dat het oeuvre van Rachmaninov maar ook het lot van haar eist vliegt het meisje als een wervelwind doorheen de nieuwe film van regisseuse Eva Cools, ‘Cleo’ genaamd. Met haar debuut, dat door lovende kritieken ontvangen werd, vertelt Cools hoe een jonge vrouw in wording zich staande houdt nadat het leven de touwtjes waarmee het haar op de wereld heeft gezet meedogenloos doorknipt. 

Anna Franziska Jäger – dochter van Anne Teresa De Keersmaeker, wiens Rosas in april gratis speelt tijdens UUR KULTUUR (meer info hier) – neemt, vijf jaar na haar verschijning in My Queen Karo, opnieuw een rol van formaat op zich. Ze vertolkt de vrijgevochten Cleo, een 17-jarige plantrekker die na het plotse overlijden van haar ouders elke godvergeten dag dat de zon opkomt in haar eentje moet trotseren. 

Het is met ingehouden adem afwachten hoe Cools dit delicate topic naar de cinema vertaalt, maar Cleo is allesbehalve een tearjerker: met het handje van haar kleine broertje in de hare en het warme nest van haar Bobonne als vangnet, neemt Cleo opnieuw deel aan het leven. Niet met schuifelende passen maar met roekeloze sprongen, een nonchalant fuck-you-gehalte en een ‘je m’en fous’ om U tegen te zeggen.

Maar Cleo is meer dan een – bij gebrek aan een betere beschrijving – wijf met ballen: Cools wordt geprezen om haar talent de vrouwelijke veelzijdigheid met diepgang weer te geven, en met reden. Haar Cleo is zowel de trieste regenplas als de storm, zowel het boze meisje als de dame die ze slechts op zeldzame ogenblikken durft worden, en zowel haar verleden als haar toekomst. En hoewel stortvloed na stortvloed haar – letterlijk en figuurlijk – overrompelt, blijft Cleo intuïtief zoeken naar warmte en er in haar hunkeren blindelings op rekenen dat ze die krijgt. ‘Le coeur a ses raisons que la raison ne connaît point’ – een zin om in het achterhoofd te houden.

Wanneer Cleo zich naar goede gewoonte in het bruisende nachtleven van Brussel stort komt ze op een woelige nacht terecht bij Leos, een gelaten figuur in wie ze een merkwaardige bondgenoot vindt. Getekend door hun verleden doen de twee een dans waarvan de choreografie continu onderhevig is aan verandering en de oprechtheid voortdurend fluctueert. Leos en Cleo tonen zich zowel waardige partners als tegenstanders, een strijd waarvan het onmogelijk vertellen is wie er nu juist aan de winnende hand is, en ploeteren voort met elk hun eigen drijfveer – en de overeenkomstige facades die ze daarvoor op moeten zetten. 

Cleo draait om een vertrouwen dat afwisselend geschonken en weer beschadigd wordt, een dynamiek die zich zowel tussen de personages onderling afspeelt als tussen hen en het publiek dat de film bekijkt. De knappe acteerprestaties in Cleo tegen de achtergrond van het genadeloze, doch eeuwig charmante Brussel zorgen ervoor dat Cools’ film op de juiste momenten weet te ontroeren zowel als op het verkeerde been weet te zetten, en daarmee onverwacht zijn publiek uitdaagt.

Tegen de opzwepende soundtrack van Rachmaninov, die even dramatisch is als Cleo’s favoriete kleur rood en een even pertinente plaats inneemt in de film, baant Cleo zich een weg doorheen haar verdriet. In een opmerkelijk samenspel van beeld en geluid neemt de kleur van de passie namelijk de bovenhand, telkens wanneer er muziek in het spel is; op de muren van het muzieklokaal waar Cleo repeteert bijvoorbeeld, of in de concertzeteltjes wanneer ze optreedt; in de rode gloed wanneer ze gaat clubben en de rode kledingstukken die ze slechts af en toe achterwege laat. 

Cleo: over hoe de menselijke geest, soms tegen wil en dank, een ijzersterk, veerkrachtig fenomeen is. Over hoe muziek het onmogelijke mogelijk maakt, stukjes tot leven kan brengen van mensen die we niet meer in onze armen kunnen sluiten en ons onszelf kan doen verliezen op momenten waarop het leven ons dat niet meer toelaat. Over zorg dragen voor jezelf en voor elkaar, en hoe dat op verschillende manieren, maar ook vanuit verschillende motieven ingevuld kan worden. Maar vooral over een onverschrokken jonge vrouw, die haar stekels opzet en je tegelijk smeekt deze te ontwijken om haar te proberen omarmen – om je weer van haar af te slaan wanneer je te dicht bij het breekbare komt.

Cleo speelt nog tot en met maandag 27 januari in de PIAS-reeks van Cinema Zed, tickets en meer info vind je hier. Niet te vergeten: cultuurkaarthouders genieten de wel zeer voordelige prijs van slechts €6 per toegangsticket! 

LUK’s schitterende muzikale vaarwel voor het Verenigd Koninkrijk

Een nieuwe dirigent, een nieuw geluid. Na vijf jaren Koen Vits staat er een nieuwe, jonge dirigent aan het roer van de groep zingende studenten: Kevin Hendrickx. In tegenstelling tot zijn voorganger, stelde Hendrickx zijn eerste concert niet in het teken van Kerst, maar in het teken van de politieke ontwikkelingen met het Verenigd Koninkrijk. Toevallig of niet, het concert vond plaats op de vooravond van een van de belangrijkste verkiezingen op dit eigenzinnige eiland, dat resoluut koos voor een politieke afscheuring van het Europese vasteland. Hendrickx en het LUK kozen ervoor om de exit van het Verenigd Koninkrijk uit de EU te bezingen als een requiem, als het ten grave dragen van de innige relaties die het VK met het Europese vasteland had.

Het Verenigd Koninkrijk bezit wellicht één van de sterkst uitgebouwde koortradities (denk aan de met kathedralen verbonden Boys’ Choirs, o.a. het Westminster Abbey Choir). Dat blijkt ook uit de brede waaier aan koormuziek die tijdens het concert aan bod kwam. Van Elizabethaanse madrigalen tot hedendaagse, modernistische composities, dirigent Hendrickx koos een aantal bijzonder mooie composities uit het rijke verleden van de Britse koortraditie. In tegenstelling tot zijn voorganger, die een fervent aanhanger was van de quasi-epische koormuziek van onze Belgische Van Nuffel, koos Hendrickx voor een wat ingetogener repertoire, dat niettemin een overweldigende en ontroerende indruk bij het publiek teweeg bracht.

Een goed gevulde Sint-Jan-de-Doperkerk hoorde eerst een bijzonder zacht en zoet Schots volkswijsje, The Gallant Weaver, dat door de Schotse componist James MacMillan voor koor is bewerkt. Sopraanstemmen weven het publiek mee in een magisch en mythisch muzikaal tapijt, kortom: een mooie opener voor de rest van de avond. Vervolgens zingt het LUK enkele mooie, maar minder interessante stukken. Parry’s Songs of Farewell brengt de mythologiserende functie van de Eerste Wereldoorlog binnen, dat direct gevolgd wordt door het bijzonder sterke en sterk opgevoerde stuk Advance Democracy van Groot-Brittanniës bekendste moderne componist, Benjamin Britten. Het lied is zowel in zijn vorm als in zijn tekst een overtuigend strijdlied tegen het in de jaren ‘30 oprukkende fascisme, een lied dat voor onze tijd nog steeds bijzonder interessant is.

Het tweede deel was het mooiste van de twee. Het koor opende met het lied The Lamb van sir John Tavener, een van de bekendste naoorlogse componisten uit het Verenigd Koninkrijk. De tekst van de romantische dichter William Blake geeft op poëtisch inventieve wijze een weergave van de Heilige Drievuldigheid, dat in de hemelse muziek van Tavener weerspiegeld wordt. Het stuk begint vrij dissonant, maar laat als antwoord daarop het publiek baden in een zee van hemelse schoonheid. Het effect wordt alleen maar versterkt door de unieke opstelling van het koor, dat het publiek omringde en insloot. Het werk van Bairstow en Harris dat het LUK op magistrale wijze zingt, wordt op het einde gevolgd door Herbert Howells bijzonder intieme en bekoorlijke requiem. Na het laatste nummer van de keuze van Hendrickx volgde nog een minder geslaagd bisnummer, waarvan de hoogste noten niet altijd even raak waren.

De avond sloten de studenten af met een ‘We Wish You a Merry Christmas’. Inderdaad, een advent zonder de magistrale concerten van het LUK zijn bijna ondenkbaar geworden. Telkens opnieuw blijft de kwaliteit van dit koor het publiek met stomheid verbazen en telkens opnieuw hunker je naar meer hemelse schoonheid. Uitkijken dus naar het volgende concert!

LUK – Requiem for Britain / donderdag 12 december 2019 om 20u30 / Sint-Jan-de-Doperkerk, Groot Begijnhof, Leuven / korting met cultuurkaart

(uitgelichte afbeelding © Henk Van Rensbergen, ontwerp © LUK)

Finishing touch: Saariaho & Sibelius

Op vrijdagavond trok Festival 20-21 voor de laatste keer alle registers open met een slotconcert in het Lemmens. Ter ere van haar 25ste verjaardag bracht het Antwerpse symfonisch orkest met symfonieën van Saariaho en Sibelius een volledig Fins programma.

Dirigent Osmo Vänskä, wereldwijd erkend als een autoriteit op het gebied van Scandinavische symfonische muziek, gidste het orkest feilloos doorheen de twee werken. In Aile du songe (2001) van Kaija Saariaho nam fluitiste Edit Van Dyck de solopartij voor haar rekening. Hierbij balanceerde zij tussen diverse kleurschakeringen enerzijds en lyrische vertolkingen en korte, scherpe tonen anderzijds. Geplukte vioolpassages, vibrafoons die de melodie deden weerklinken in de hogere regionen en doordringende paukenslagen voorzagen het op dissonantie gestoelde werk van al de nodige klankkleuren. Hoewel Aile du songe dateert van aan het begin van de 21ste eeuw, echoden Stockhausen en Messiaen doorheen het werk.

Hierna volgde de majestueuze Vijfde symfonie in Eb (1915) van Jean Sibelius. De componist schreef dit werk op vraag van de toenmalige Finse regering om de 50ste verjaardag van het land te vieren, wat zich vooral naar het einde van de compositie toe duidelijk manifesteert. Hiervoor voegden koperblazers zich bij het ensemble, die de verheven melodie aandikten en zich vooral in het laatste deel lieten gelden bij de nagenoeg nooit eindigende opeenvolging van crescendo’s.

Slechts iets minder dan een uur hadden Vänskä, Van Dyck en het Antwerpse symfonisch orkest nodig om de Finse symfonische muziek krachtdadig te laten weerklinken.

Saariaho & Sibelius op vrijdag 25 oktober in het Lemmens in het kader van Festival 20-21.

Laudate: jubileumconcert LUK in de overtreffende trap

Laudate, wees geprezen, LUK! Wat een overdonderende muziekpracht! Je kan de loftuitingen over het jubileumconcert van het LUK alleen maar in de overtreffende trap schrijven, zo bijzonder indrukwekkend was het concert in de Sint-Jan-de-Doperkerk op donderdag 16 mei 2019. Voor het jubileumconcert én het laatste concert onder leiding van dirigent Koen Vits, nodigde het LUK een orkestensemble uit met leden van het Brusselse conservatorium en het Leuvense Lemmensinstituut. Samen voerden zij voornamelijk werk van Jules Van Nuffel op, maar ook van William Henry Harris, Guy Weitz, Arnold Bax en de speciaal voor dit concert zelfgemaakte LUK-hymne. Zoals gebruikelijk straalde de performance een ongeziene professionaliteit en kwaliteit uit met een overweldigende passie als resultaat. Het stemmen van de instrumenten begint, het koor komt de gang van de kerk opgewandeld, het concert kan beginnen: sit back, relax and enjoy!

cof

© Inge Clerens

Centraal in de avond stond het werk van de Belgische priester-componist Jules Van Nuffel, de favoriet van dirigent Koen Vits. Van Nuffel is misschien geen household name, zijn werk is echter al meerdere keren door het LUK opgevoerd. Deze vernieuwer bracht met mondjesmaat modernistische effecten in de kerkmuziek, die sinds de motu proprio uit 1903 van paus Pius X terugkeerde naar de gregoriaanse en polyfone roots. Het zijn echter deze vernieuwende kleurrijke akkoorden van het impressionisme of de harde effecten van het expressionisme die het werk van Van Nuffel zijn subtiele veelzijdigheid geven. Met aandacht voor details en een muzikale integratie van de betekenis van de Bijbelse teksten—zo gaat de toon naar omhoog wanneer er over een berg wordt gesproken—maken de muziek van Van Nuffel een paradijs voor het oor.

Het eerste werk, Statuit ei Dominus, overdondert met zijn epische en stemmige geheel, terwijl het rebellerende Super flumina Babylonis een zachtere, maar weemoedige totaliteit representeert. De laatste van de twee was in 1916 een gewaagde tekst over onderdrukking tegen de Duitse bezetting. In vergelijking met Van Nuffels muziek vallen de werken van de andere componisten geboren in 1883, William Henry Harris, Arnold Bax en Guy Weitz, een beetje in het niet, maar toch weet het LUK ze met passie over te brengen. Bovendien verdient de orkestrale ondersteuning onder leiding van concertmeester Ebert Rens een bijzondere vernoeming. Het LUK, weten we van alle vorige opvoeringen, kan best alleen de kerk vullen met krachtige muziek, maar samen met het orkest wordt het niveau nog een tikkeltje hoger opgetild. Wanneer zij samen in harmonie spelen en zingen, word je bijna letterlijk van je stoel geblazen.

Na de pauze brengt het LUK hulde aan Koen Vits, de vijftiende dirigent van het koor sinds zijn oprichting. Het LUK is altijd wel voor een grapje te vinden en ook deze keer zit het concert vol met inside jokes, zoals de mastodont van een dirigeerstok of de selfie met orkest en koor. Dat Koen Vits niet alleen dirigent is, maar ook componist, konden we horen in het speciaal voor dit jubileumconcert gemaakte LUK-hymne. De tekst van Cyril Masai, één van de leden van het koor, brengt hulde aan het LUK als niet zomaar een universitair ensemble, maar bovendien een gezellige studentenvereniging die het ook is.

Na het klassiekere werk van Guy Weitz en de heldere en scherpe noten van Arnold Bax, is het tijd voor het meesterwerk van Van Nuffel: het Te deum. Dit bevrijdings-te deum werd geschreven door Van Nuffel op het einde van de Tweede Wereldoorlog met het vooruitzicht op de bevrijding van het Duitse juk. Terwijl de heiligenbeelden in de kerk meekijken, komen de engelenstemmen van het LUK tot volle bloei in de ‘sanctus, sanctus, sanctus’ in het midden van het stuk. Dit lange en epische werk combineert alle krachten die Van Nuffel, het LUK en het orkestensemble konden brengen en was een prachtige afsluiter van een mooi jubileumconcert.

Een oorverdovend applaus, de nodige traantjes bij Koen Vits en een staande ovatie sluiten de avond in schoonheid af. Laudate vos, LUK, het is jullie weer gelukt om een massa volk met religieuze koormuziek te ontroeren!

Laudate – Jubileumconcert 50 jaar Leuvens Universitair Koor / donderdag 16 mei 2019 om 20u30 / Sint-Jan-de-Doperkerk, Groot Begijnhof, Leuven / korting met cultuurkaart

EPOS: gezellig schuifelen tussen filmmuziek en improvisatietheater

In het kader van hun lenteconcerten presenteerde het Arenbergorkest onder leiding van dirigent Roel Willems een programma waarbij filmmuziek centraal stond. Improvisatiegroep Preparee reeg de muziekstukken aan elkaar met een ludieke act over geiten, een pantoffelheld en een Duitse zeppelin.

De avond ving aan met de muziek van Star Trek Into Darkness (2013) van de Amerikaanse componist Michael Giacchino, dat gekweld werd door een ietwat rommelig begin. Hierna leek het collectief van een negentigtal muzikanten elkaar meer te vinden en Willems hield zijn muzikanten voor de resterende avond strak in het gelid. Vervolgens destilleerden de acteurs van Preparee de bouwstenen voor hun verhaal uit de input van het publiek, wat resulteerde in een fictieve futuristische setting in de Verenigde Staten, waar de stedelijke centra opgedeeld zijn in verschillende secties en iedereen een persoonlijke vliegmachine bezit. De pantoffelheld Norbert heeft zich nog nooit buiten de stad gewaagd, vult zijn dagen met geiten voederen en bloemen plukken, en worstelt, hoe kan het ook anders, met vliegangst en een zwak voor zijn trouwe gezellin Femke.

Na deze introductie vervolgde het Arenbergorkest met de Bacchanale: Samson and Delilah (1877) van de Franse musicus Camille Saint-Saëns. In de eerste maten voerde de hobo de toon, gevolgd door het gejaagde thema van de strijkers, dat hierna gedubbeld werd door het volledige orkest. Het ensemble vervolgde met het tweede en derde deel van de Capriccio Espagnol (1887) van de Russische componist Rimsky Korsakoff. Deze vijfledige suite heeft als inspiratiebron enkele levendige Spaanse volksmelodieën, wat het muzikale collectief voortreffelijk overbracht naar het publiek. Ondertussen naderden donkere wolken richting Norbert: de antagonist met een zwaar Duits accent en zijn assistente hebben vanuit hun zeppelin een plan gesmeed om de omgeving te verwoesten en er een nieuwe stad te bouwen. Hiervoor vernietigden zij alle bloemen en eigenden zich alle geiten toe, wat aan de hoofdrolspeler geenszins onopgemerkt voorbijging.

Het laatste werk voor de pauze ging ontegensprekelijk met de meeste aandacht lopen: de ouverture van Leichte Kavallerie (1866) van de hand van de Oostenrijkse uitvoerder en componist Franz von Suppé in een Disneyversie. Begeleid door de projectie van oude Mickey Mouse sketches, pastiche koperblazers en knutselig slagwerk toonde het Arenbergorkest zich van haar meest komische kant.

Na de onderbreking hervatte het muzikale collectief met het ingetogen Freischütz Ouverture (1820) van Carl Maria von Weber, dat sterk contrasteerde met het daarop volgende Two Towers van Lord of the Rings (2002) van Howard Shore. Preparee intervenieerde wederom met enkele kluchtige dialogen tussen Norbert, Femke en hun tegenspelers, om tot slot te besluiten met de aloude boodschap dat angsten te overwinnen zijn mits er bevestiging van de liefde in het vooruitzicht staat. Het Arenbergorkest sloot af met de grandioze opvoering van The Curse of the Black Pearl (2003) van Klaus Badelt, wat de overwinning van de pantoffelheld ironisch genoeg nog uitvergrootte.

Lenteconcerten van Arenbergorkest in PDS op 12/05 en 13/05. 

https://arenbergorkest.be/nl/

 

Bigband meets Symphony: USO goes jazz

Onder het juk van een druilerige motregen haastte ik me afgelopen donderdagavond gezwind richting Gasthuisberg. Het podium van het centraal auditorium bleek er een voorbode van een wel erg speciale bezetting: Bigband meets Symphony. Op het programma pronkt, naast de alom bekende naam van Amerikaans componist George Gershwin, ook die van Vlaams jazztrompettist en componist Bert Joris. Een ietwat minder bekend terrein voor het Leuvense studentenorkest, zo zeggen ze zelf. Waar ze bij vorige concerten eerder het klassieke repertoire bij de hand namen, dwingt de combinatie met de VRT Bigband hen nu om zich moedig in de zwoele regionen van de jazz te wagen. En ook dat doen ze alweer met ontzettend veel verve.

 An American in Paris

In An American in Paris wandel je als luisteraar goedgemutst door de straten van het 20ste-eeuwse Parijs. Het werk is een woelige rollercoaster waarin een bont lappendeken aan verschillende klankschilderingen je soepel van het ene rumoerige stadstafereel naar het andere brengt. Op bijna tekenfilmachtige wijze neemt het ritme van de muziek je mee in zijn stevige tred op de stoep van een stad die maar niet lijkt te zwijgen. Toeterende taxi’s schallen dwingend door het orkest heen, rustige passages worden abrupt onderbroken door bruuske, spitse ritmiek… Kortom: een levensechte representatie van een grootstad zoals we die ook nu nog kennen.

Het USO slaagt er dan ook erg goed in de bedrijvige sfeer van deze muziek overtuigend over te brengen. Met een jeugdige energie en zwierig enthousiasme tokkelen, strijken en blazen de jonge muzikanten verwoed op hun instrumenten. In de spitse, ritmische passages plegen ze soms wat aan strakheid te verliezen, maar dit gaat zeker niet ten koste van hun algemene muzikale spitsvondigheid. Het totaalplaatje is en blijft uitermate animerend en sfeervol en dirigent Edmond Saveniers swingt er hevig op los.

Walkin’ Tiptoe

Net voor de pauze maakt het orkest plaats voor de VRT Bigband, een jazzorkest louter bestaande uit personeelsleden van de VRT. Dirigent Dree Peremans komt met knalwitte sneakers gestaag het podium opgewandeld terwijl de leden van de band, in volle concentratie, hun eerste korte, ritmische motiefje uit hun instrumenten blazen. Vanaf de eerste seconde is ook deze muziek uiterst sfeervol. De muzikanten stralen een ongelooflijke knowhow en gezonde zelfzekerheid uit. Hun bijna constante ritmische strakheid en bewonderenswaardig gevoel voor timing doen Joris’ compositie zonder twijfel eer aan. Neem daar nu nog enkele zwoele trombone- en trompetsolo’s bij en het resultaat is een bedwelmend en meeslepend geheel.

Bigband meets Symphony

Na de pauze ontmoeten de bigband en het symfonieorkest elkaar nu écht. In Anna zet een jonge trompettist van het USO een slepende, melancholische melodie in. De piano breekt treurig enkele korte akkoordjes en het lijkt wel of de weemoed van het druilerige weer langzaamaan binnensloop. Wanneer ietsje later het orkest en de bigband zich samenvoegen en Peremans zich opnieuw bewijst in een sensuele solo merkte ik tevreden op dat de bezetting, die eerder ongewoon en bizar had geleken, toch doeltreffend het tegendeel bewees. Net hetzelfde voor Joris’ tweede werk Dangerous Liaison. Symfonieorkest en bigband gaan er hand in hand en samen creëren ze onophoudelijk een kleurrijk klankentapijt. Ook het bisnummer is er eentje van Bert Joris. Alone at last. Een erg toepasselijke titel voor een slot als je het mij vraagt.

Bigband meets Symphony 25-04-2019

©VRT Bigband

Bigband meets Symphony | USO | donderdag 25 en vrijdag 26 april 2019, 20:30 | Centraal Auditorium Gasthuisberg | niet-studenten: €10; studenten/ -18j: €5; cultuurkaart: €4

UHO since 1979: Bernstein, Lord of the Rings en Bigbandjazz

Het Universitair Harmonieorkest speelde op woensdagavond één van hun befaamde aulaconcerten. Naar aanleiding van hun veertigste verjaardag vulde de Pieter De Somer aula zich gestaag, tot een 90-tal muzikanten plaatsnam en dirigent Erwin Scheltjens opkwam. Het eerste stuk waarmee de harmonie aanving was Candide (1956), een bewerking van een operette door Leonard Bernstein. Het opgewekte thema nam het publiek terstond mee op sleeptouw, waarmee de toon voor de avond gezet was.

Hierna volgde het tweede deel van Belkis, Regina di Saba (1995) van Yoshihiro Kimura, wat echter wat in de schaduw van het voorgaande werk bleef hangen. Oud-voorzitsters Lise Claes, Sophie Tersago en Jana Vastiau namen de presentatie voor hun rekening en blikten onder meer terug op hun meest gekoesterde herinneringen aan het harmonieorkest, zoals de UHO-reizen naar Italië, Polen en Denemarken, maar ook muzikanten die hun instrumenten kwijt waren en instrumenten die hun muzikanten kwijt waren.

Het corpus en tevens het ontegensprekelijke hoogtepunt van de avond betrof de orkestmuziek van Johan De Meij voor de epische saga van Lord of the Rings, begeleid door zandkunstenares Colette Dedyn. In vijf delen bewoog het orkest zich door de wereld van Gandalf, Bilbo Baggins, Frodo, marcherende Orks, draken en sprookjesachtige bossen, die zowel het UHO als de zandkunstenares fenomenaal vertolkten. De combinatie van de epische orkestmuziek, met onder meer statige snare-drums, gonzende percussie, fluitende houtblazers en majestueuze koperblazers, met de levendige en spraakmakende taferelen die Dedyn in en uit zand vervaardigde, is dan ook lovenswaardig. Niet alleen begeleidde zij de verschillende passages voortreffelijk, zij deed dit tevens op het ritme van de muziek.

Hierna vervolgde het UHO met Night Party Music (2013) van Eduard de Boer, waarbij klassieke muziek ontspoorde in zelfverzekerde bigbandjazz. De componist schreef op vraag van een Duitse wedstrijd voor harmonieorkesten een kort jazz-achtig werk, een opzet waarin hij, evenals de harmonie, meer dan geslaagd is.

Tot slot besloot het orkest de avond met Tarantella (1992), het laatste deel van de vierde symfonie van Alfred Reed. De componist liet zich hiervoor inspireren door de gelijknamige traditionele Italiaanse dans, waarvan het opzwepende ritme en de aanstekelijke melodie deden denken aan volksmuziek uit de Balkan. Tout court, een ideale afsluiter.

 UHO in de PDS op 03/04.